vrijdag 16 oktober 2026
Na een lange zomerstop van de Kunstkring, onze grootste activiteitengroep, was het op vrijdagochtend 16 oktober tijd voor de vierde lezing van dit jaar. Er kwamen weer veel leden naar de Huiskamer. Dit keer ging het over geschiedenis, met name een stukje geschiedenis dat veel leden herkennen.
Het bestuur van de Kunstkring had Ineke Strouken, voormalig directeur van het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland, uitgenodigd om deze lezing te verzorgen. Ineke vertelde dat een traditie een gewoonte is die generaties lang wordt doorgegeven. Een traditie geeft houvast maar kan door de tijd ook aangepast worden. Tussen 1450 en 1850 was het in Nederland veel kouder, 12 tot 15 weken lang was alles bevroren en stonden ijsbloemen op het raam. Er werd veel geschaatst en op de ijsbaan stond een koek- en zopietent, vroeger was de koek harde speculaas die gedoopt werd in zopie, dat was warm bruin bier. In de koude dagen werd er toen, en ook nu, erwtensoep met spek gegeten, dat is van alle tijden. Een ander woord voor erwtensoep is ‘snert’; een middeleeuws woord voor wind, wat opkomt na het eten ervan.
Op feestdagen, zoals Sint Maarten en Driekoningen, mochten mensen langs de deur gaan om te bedelen en twee vastenperioden zorgden er voor dat niet alles meteen werd opgegeten. Sint Maarten was van Hongaarse afkomst, hij werd beroemd in heel Europa door zijn zorg voor de armen. Later werd hij tot bisschop benoemd. Sint Nicolaas, bisschop van Myra stond bekend om zijn vrijgevigheid en zorg voor de armen en kinderen. In 1850 introduceerde de onderwijzer Jan Schenkman in zijn boekje een Zwarte Piet naast Sint Nicolaas, ook de stoomboot uit Spanje, evenals het paard waren elementen die hij in zijn boekje toevoegde. Sinterklaas is de beschermheilige van de zeevaart. Amerika heeft van Sinterklaas de Kerstman gemaakt.
Ineke vertelde verder over het eten van speculaas en pepernoten met Sinterklaas, het optuigen van de kerstboom met ballen, Oudejaarsavond met vuurwerk, een duik in het koude water tijdens Nieuwjaarsdag, het Carnaval en de afsluiting daarvan door middel van het eten van haring.
Tot ver in de negentiende eeuw werd het jaar verdeeld in twee delen: de slechte en de goede tijd. De moeilijke tijd begon op Sint Maarten, 11 november, en liep tot en met Carnaval. Daarna begonnen de voorbereidingen voor de goede tijd, dat begon met Pasen. In de slechte tijd was het belangrijk om zuinig te zijn met voedsel, licht en brandstof zodat er genoeg was voor de hele winter. Wij kunnen ons dat niet voorstellen, omdat wij het hele jaar door vers voedsel in de supermarkt kunnen kopen en wij hebben het ook niet meer koud.
Daarom zijn er in de winterperiode veel meer feesten dan in de zomer. De betekenis van zoveel winterfeesten kregen we tijdens deze boeiende lezing uitgelegd.
De volgende lezing van de Kunstkring is op vrijdagochtend 20 november met als onderwerp ‘Wereldmuziek’, gegeven door Leo Wolfs.
Klik op een foto voor volledig beeld